| |
Het gaat over vampierjagers, |
|
| |
de hulphonden van vampierjagers |
|
| |
en natuurlijk over vampiers!
|
|
| |
Het leven van de vijftienjarige Lola verandert desastreus
als ze verliefd op een vampierjager wordt.
Doelgroep: 14+ (misschien 12+ voor hele dappere lezers)
|
|
WEBLOG
19-06-2009: Manuscript Stabijters af! Na bijna twee jaar schrijven, herschrijven, wanhopen, toch doorgaan, veel bijleren, weer opnieuw herschrijven en weer wanhopen is het moment eindelijk aangebroken: mijn manuscript is ... |
|
|
| |

Dit is een stabijter.
Stabijters zijn de hulphonden van vampierjagers.
|
|
| |

Dit is het logo van de vampierjagersorganisatie waar Lola mee te maken krijgt.
|
|
| |

Lola weet niet dat haar hond een stabijter is tot ze bij het kerkhof een geheimzinnige jongen ontmoet. Als ze op internet naar stabijters gaat zoeken, ontvangt ze vreemde e-mails over een prijsvraag waar ze niet aan mee heeft gedaan.
De geheimzinnige jongen lijkt er meer van te weten. Hij zegt dat hij een vampierjager is, maar Lola gelooft niet in vampiers. Langzaam komt ze er achter dat vampiers wel degelijk bestaan en dat zij en haar vriendinnen in groot gevaar zijn. |
|
| |
|
|
| |

Wat vooraf gaat:
Lola loopt met haar hond Bijte langs de begraafplaats. Als een schaduw over de hoge kerkhofmuur springt, schrikt ze. Ze wil wegrennen, maar haar benen voelen aan als pudding. Ze sluit haar ogen en als ze die weer opent, staat Bijte te kwispelen naar een hond die sprekend op hem lijkt.
Bijte rukt zich los en volgt de andere hond het kerkhof op.
|
|
| |
|
|
| |
’Bijte, hier!’ Machteloos staar ik door de spijlen van het hek naar de donkere begraafplaats. Er beweegt iets, te groot om een hond te kunnen zijn. Een boom waarschijnlijk. Het lukt me niet om mijn angst weg te redeneren; ik ben niet dapper genoeg om Bijte te gaan zoeken.
‘Bijte?’ Angstvallig luister ik naar geluiden die van het kerkhof komen. De bomen ruisen spookachtig. Weer meen ik een beweging te zien, dichterbij nu. Ik verstar. Het is een donkere figuur in een cape. Lachend weert hij twee honden af die kwispelend tegen hem opspringen.
Mijn mond opent zich al om te gillen als ik me realiseer dat zijn lange cape geen opstaande kraag heeft, zoals in vampierfilms. Het is een leren jas. Bijte is herkenbaar aan de riem die ik zojuist heb losgelaten. Hij zou toch niet zo vriendelijk doen tegen iemand die kwade bedoelingen heeft?
Toch laat ik de spijlen van het hek los. Snel, en hopelijk zonder de aandacht op mij te vestigen, loop ik door. Aan de overkant van de straat wandelt een man met een grote hond. Dat geeft me moed. Ik kan heel hard gillen als dat nodig is.
Als achter me geen voetstappen klinken, haal ik opgelucht adem. Waarschijnlijk heb ik me angst laten aanjagen door mijn eigen fantasie. Ik fluister Bijtes naam en al snel hoor ik het getik van naderende hondennagels op het trottoir. Wanneer ik buk om zijn riem te pakken, voelt het alsof er ogen in mijn rug branden.
‘Is dat ook een stabijter?’
‘Een stabijter?’ Geschrokken draai ik me om. Niemand weet dat ik Bijte voor de grap soms een stabijter noem. Ik dacht dat ik het woord zelf had verzonnen.
Voor het begraafplaatshek staat een jongen in een lange leren jas. Hij is knap en zijn zwarte kleding past goed bij zijn donkere haren. Hou oud zou hij zijn? Zeventien, achttien? Ik moet me eraan herinneren dat ik bij een kerkhof sta en niet op het schoolplein. Met nachtelijke kerkhofbezoekers wil ik niets te maken hebben. Toch blijf ik naar hem staren. Is hij soms weggelopen uit een film of zo?
Hij schudt zijn hoofd. ‘Eh, nee, ik vroeg of dat ook een stabijna is.’
‘Dit is een stabijna.’ Iedere stabijeigenaar heeft dat woordgrapje wel eens gehoord. ‘Maar dat vroeg je niet. Wat is een stabijter?’
‘Fang. Mijn hond. Zij is het ook, een stabijna bedoel ik. Ik dacht al dat jouw hond ook een stabijna was.’
‘Ja, maar je zei echt stabijter.’
Hij werpt een zenuwachtige blik op zijn hond die meer aandacht heeft voor Bijte dan voor zijn baas. Fang is zwart en haar borst en buik zijn lichter van kleur, evenals het puntje van haar pluimstaart. Alleen door de riem die nog aan Bijtes halsband bungelt, kan ik de honden van elkaar onderscheiden.
‘O. Hoe oud ben je eigenlijk?’
‘Bijna zestien.’ Nou ja, dat duurt nog een half jaar, maar dat hoeft hij niet te weten.
‘O. En hoe kom je aan hem?’
‘Uit het asiel.’
Een frons verschijnt op zijn voorhoofd. ‘En heb je ook vreemde e-mails gehad?’
‘Wat voor e-mails?’
Hij lijkt me te bestuderen. Hopelijk bedekt het duister mijn gloeiende wangen, want jongens als hij zouden op een schoolplein moeten rondlopen en niet op een kerkhof.
Kerkhof. Ik probeer me op dat woord te concentreren en niet op zijn filmsterrengezicht. In het daglicht is hij vast minder knap, dat kan niet anders.
‘Geen e-mail dus,’ verbreekt hij de betovering. ‘Tot ziens dan maar.’
Voor ik iets kan zeggen, rent hij weg. Zijn hond volgt hem met grote sprongen.
‘Hé!’ roep ik.
Hij kijkt niet om.
Verbaasd en zelfs een beetje boos over zijn vreemde gedrag staar ik hem na. Bijte lacht zijn hondengrijns alsof hij ergens zeer tevreden over is. Zwijgend volg ik hem naar huis.
|
|
| |
|
|
| |
© 2009 Danitsja Roedema |
|
| |
|
|
| |
 |
|
|
|
|
| |
Bobby stond model voor de stabijters in het verhaal. Hij jaagt liever op eendjes dan op vampiers, maar dat betekent niet dat zijn jachtpassie ons nooit op begraafplaatsen brengt.
Door de opwinding van de jacht vergeet hij soms dat hij, net als alle stabijters, niet kan zwemmen. Eens sprong hij zomaar over de sloot naar het kerkhof, maar toen de eend was gevlogen, durfde hij niet meer terug te springen!
Net als zijn baas is hij erg koppig, dus betrad ik even later het kerkhof. Gelukkig was daar niemand, behalve een blije hond die van achter een zerk tevoorschijn sprong. Het gebeurde overdag, want in het donker ben ik niet zo'n liefhebber van begraafplaatsen.
|
|
| |
|
|
| |
 |
|
| |
|